Deze website is deel van www.bruggelokaal.be.

Rede van dhr. Willy Du Four

Willy Du Four, secretaris van BMS

Beste vrienden van Brugge-Mariastad, sympathisanten en buurtbewoners,

 

Vandaag 4 januari, enkele dagen geleden zijn wij het nieuwe jaar ingestapt, met op 1 januari het feest van Maria, Moeder Gods.

Het is Paus Paulus VI  die het feest sinds 1969 op de eerste dag van het jaar heeft geplaatst. In de oosters-orthodoxe kerken wordt het vanouds gevierd daags na Kerstmis, 26 december.

Het was op het derde algemeen concilie, gehouden te Efese in 431 (feest 9 september), dat Maria officieel werd uitgeroepen tot 'Moeder van God', in het Grieks: 'Theo-tokos' (God-barend': 'Moeder van God')

Het is niet zonder bedoeling en betekenis dat juist in Efese Maria voor het voetlicht werd gehaald, in de voormalige bedevaartplaats van Artemis. de heidense moedergodin! Na drie eeuwen geharrewar over de wijze waarop men de persoon van Jezus op de juiste manier onder woorden moest brengen, werd daar nu de consequentie uit getrokken voor de persoon van Maria: als het juist was om van Jezus te zeggen, dat Hij ook God was, dan was het gepast om Maria 'Moeder van God' te noemen.

Vanaf dat moment gaat Maria een steeds grotere plaats innemen in de devotie van het christenvolk, en dus ook in de afbeeldingen en de verhalen.

Eén jaar na het concilie, in 432 dus, trad paus Sixtus III († 440; feest 28 maart) aan als bisschop van Rome. Hij liet onmiddellijk het bescheiden Mariakerkje, dat een eeuw geleden door paus Liberius († 366) op de Esquilijnse heuvel was gebouwd, vergroten tot de nog altijd beroemde Santa Maria Maggiore: 'Vergrote Santa Mariakerk'. Nog in datzelfde jaar werd de kerk reeds plechtig ingewijd.

In de Middeleeuwen ontstond er een legende rondom de bouwgeschiedenis van deze kerk. Maria zou aan een Romeinse edelman, Johannes of Giovanni geheten, de opdracht gegeven hebben om ter ere van haar een kerk in Rome te bouwen. Toen Giovanni haar vroeg waar deze moest komen te staan, gaf ze hem te kennen dat ze de plek met een wonder zou aanduiden. De volgende morgen - het was hartje zomer: 5 augustus - bleek er smetteloos witte sneeuw gevallen te zijn op de Esquilijnse heuvel: dat was dus de plaats die de Heilige Onbevlekte Maagd voor haar kerk had uitgekozen.

Sindsdien staat op de Romeinse feestkalender 5 augustus bekend als het feest van Maria of O.L.Vrouw ter Sneeuw.

Dhr. Adelbert Denaux, voorzitter van BMS

Geschiedenis van het Mariabeeld.

Het vorige Mariabeeld, pas weggenomen in september 2019, was een O. L. Vrouw ter Potterie, een pleisteren beeld dat volledig verbrokkeld was en klaar om uit elkaar te vallen. Het huisje werd herbouwd in 1938 en de eerste bewoners waren het gezin David, schoonouders van de huidige bewoonster, haar man woonde hier vanaf zijn 9de jaar. Het weggenomen beeldje was het eerste beeldje dat de nis versierd heeft en het  werd destijds nog ingewijd door Mgr. De Smedt.(bisschop vanaf 1952)

Mevr. David-Verduyn vertelde ons dat zoveel toeristen en passanten hier halt houden om 'haar gevel met beeldje ' te fotograferen.

Het initiatief om hier een nieuw Mariabeeld te plaatsen kwam van de buur, Herman, die bij het plaatsen van bloemetjes in het bloembakje had vastgesteld dat het beeld bijna uit elkaar viel.

Hij stelde voor om een nieuw beeld te zoeken op de grote rommelmarkt op 't Zand.

Iconografie van het Mariabeeld.

En laat ons eerlijk zijn, het is een mooi beeld, een staande Maria Koningin, afgebeeld met kroon en scepter en een zittend Kindje Jezus op haar linkerarm. Onder de kroon draagt Maria een sluier, wat naar haar maagdelijkheid verwijst en op de scepter is een lelie afgebeeld wat eveneens haar maagdelijkheid aanduidt. Het is een neogotisch beeld met mooi gedrapeerde kledij met fijn uitgewerkte plooien.

En wat heel typisch is voor dergelijke madonna's is de S-vormige beweging van de rug of om het op z'n Brugs te zeggen " Een Onze Vrowtjie met  scheve leen"

De moeder-Kind relatie is niet meer zo afstandelijk en het kind mag kind zijn, hier afgebeeld zonder kroon maar wel met een vogel of duif in zijn hand. De duif als symbool voor de H. Geest. De vogel kan ook verwijzen naar het apocriefe verhaal 'het jeugdevangelie van Thomas' waar de kleine Jezus mussen van klei tot leven wekt. Dit verhaal lezen we niet in het Nieuwe Testament maar wel in de Koran.

Het gaat als volgt :

"Het was op sabbat en vele andere kinderen speelden met hem mee. Maar toen een jood zag dat Jezus op sabbat speelde ging hij onmiddellijk naar diens vader Jozef om het te vertellen. 'Uw zoon is bij de beek'. Hij heeft de sabbat ontheiligd door van klei twaalf vogels te maken. Hierop ging Jozef naar de beek en toen hij Jezus zag voer hij onmiddellijk tegen hem uit. Waarom doe je op sabbat verboden dingen? Maar Jezus klapte in zijn handen en riep tegen de mussen  'verdwijn, vlieg weg! En vergeet mij niet, nu jullie leven'. De mussen sloegen hun vleugels uit en vlogen met luid getjilp weg. De joden stonden verbaasd toen ze dit zagen."

We bevinden ons hier in het Zonnekemeers, vroeger was er maar één benaming en dat was 'Meers'. Toen in de Meers twee gelijklopende straten ontstonden, heeft het onderscheid tussen Oostmeers en Westmeers zich opgedrongen. En toen later een verbindingsweg tussen Oostmeers en Walplein werd aangelegd heeft men deze nieuwe straat de Nieuwe Meers genoemd, welke benaming in de jaren 1930 door het stadsbestuur in Zonnekemeers werd gewijzigd. De Nieuwe Meers is ontstaan omstreeks 1340. Op de hoek van de Nieuwe Meers en de Oostmeers stond het huis genaamd 't Zunneken, wat aanleiding heeft gegeven tot Zunnekemeers. Daar de volkse benaming de bovenhand kreeg, werd het stadsbestuur ertoe aangezet de benaming Nieuwe Meers te vervangen door Zonnekemeers. Meers betekent beemd, land aan water gelegen of door water omspoeld, lage weidegrond, die in natte winters nogal eens onder water staat. Er is een wezenlijk verschil tussen een meers en een bilk. Een meers is altijd groter dan een bilk; een bilk is daarenboven goed afgesloten en ligt ook wat hoger.

Als slot nog een  historisch toetje omtrent de site 'Wevershof' omdat historisch gezien dit huisje daarvan deel uitmaakte.

Het Wevershof is een binnenplaats waarrond huizen zijn gebouwd. Dergelijke binnenplaatsen met een smalle doorgang van de straat gescheiden worden 'forten' of 'beluiken' genoemd. Ze gelijken op godshuizen maar ze zijn eigendom van privé-personen. Gebouwd door zogenaamde huisjesmelkers, lieten deze forten op maatschappelijke en hygiënisch gebied doorgaans veel te wensen over.

Alvorens hier in 1833/34 het 'fortje' werd gebouwd bestond reeds op dit terrein een brandewijnstokerij met boomgaard en erf sinds 1692. In 1777 koopt een jeneverstoker uit Schiedam (Nederland) de heer Sporkman het hele terrein. Zijn schoonzoon Jan Van Strate, ook een jeneverstoker uit Schiedam, komt hier wonen. Twintig jaar later volgt zijn zoon Willem Van Strate zijn vader op. Hij was stoker en verdeler van drank, maar ook vrederechter te Gistel.

Hij was een ondernemende man want hij kocht nog een stokerij op in de buurt, gelegen op de hoek van de Oostmeers en Goezeputstraat naast de kaarsenfabriek van de familie Verstraete. Hij bouwde op dit terrein het fortje 'Verstraete' zo genoemd naar de latere eigenaar, die het later zal slopen om er een zondagsschool op te richten;  dit is nu het huidige Meersenhuis.

Louis Van Strate, zoon van Willem, neemt in 1829 de stokerij over en bouwt het Wevershof tussen 1833 en 1834 want de bevolkingsregisters van 1835 vermelden reeds de eerste bewoners in het fort. De reden waarom Louis overging tot de bouw van de werkmanshuisjes is mogelijk het zoeken naar een bijkomende bron van inkomsten omdat de accijnzen op jenever enorm stegen in die periode. Vele kleinere stokerijen zagen het niet meer zitten en stopten hun productie. Voor de extra inkomsten volgde Louis wellicht het voorbeeld van zijn vader, Willem Van Strate, gezien die ook al werkmanshuisjes had opgekocht en huisjes had gebouwd op zijn eigendom in de Oostmeers (het fort "Verstraete"). Na uitgeweken te zijn naar Gent en Oostkamp omdat het zeer slecht ging met zijn stokerij kwam hij terug naar Brugge en zocht een andere bestemming voor zijn stokerij. Hij woonde toen in het huis waar een bakkerij gevestigd was, het  latere koetshuis van het Sint-Janshospitaal en nu Art Gallery.

In de gebouwen van de stokerij kwam er achtereenvolgens rond 1846 een aardappelzetmeelfabriek.

Ik heb hier een kaart bij waarop alle panden zijn aangeduid waarbij de familie Van Strate betrokken was.

In 1859 werd de hele site verkocht aan Jan De Schrijver, een kolenhandelaar, zij verkavelden, sloopten en renoveerden. Het Wevershof werd door de reconstructie een apart gesloten geheel, los van het bedrijfsterrein. De huisjes op het fabrieksterrein werden gesloopt en de toegang vanuit Zonnekemeers tot het beluik werd verbreed. De vervuilde stedelijke gracht naast de Begijnhofgracht werd ingekokerd.

In 1870 werd door de gemeenteraad van Brugge aan deze binnenplaats de naam Wevershof gegeven, een benaming die sedert lang bij de bevolking in gebruik was.

Waarschijnlijk was het Wevershof oorspronkelijk grotendeels bewoond door wevers, schoenmakers, schilders, kantwerksters, spinsters die in die tijd tot de armste klasse van de bevolking behoorden.

In 1900 waren er 28 huisjes en 170 bewoners, dus overbevolkt. Op de bewoning ervan was geen controle: vele huisjes werden door de arme bewoners of door de eigenaar nog eens onderverhuurd zodat er meerdere families kwamen wonen in één huisje. Begin 1900 waren er in Brugge een 50-tal fortjes.

In 1870 werd het totale domein verkocht aan Vincent Steyaert, ook een kolenhandelaar. Er kwam nog een fabriekje voor vetten en oliën waarvan de familie Steyaert ook eigenaar was.

In 1907 verkocht Steyaert het bedrijfsterrein en de twee bijhorende huizen aan de gebroeders Claeys die er een meubelfabriek inrichtten. In 1924 kocht de Commisie van Burgerlijke Godshuizen  het Wevershof van de familie Steyaert.

Dank zij het legaat of de testamentaire schenking van Leon De Meulemeester junior, kwam de COO (Commissie van Openbare Onderstand), opvolgster van de Commissie van Burgerlijke Godshuizen in 1937 in het volledig bezit van het werkmansbeluik 'het Wevershof' en kreeg dit een bestemming als 'Godshuis'.

Leon junior was de zoon van Léon De Meulemeester senior (° Brugge 1841, + Brugge 1922) stichter van brouwerij "Aigle Belgica", voorheen de brouwerij "De Arend". Maar door fusie met de Gentse brouwerij Belgica  werd het 'Aigle Belgica'. Zoon Leon  was een buitenbeentje in de familie en leefde in onmin met zijn vader. Hij leidde een leven van vallen en opstaan maar wist toch een kapitaal te verzamelen. Hij bleef ongetrouwd. Hij schonk per testament op 30 januari 1933 een som van 638.000 francs aan de kerkfabriek van de parochie Sint-Anna ten voordele van de armen van de Sint-Anna Parochie. Op 4 februari 1933 herbevestigde hij zijn testament van 30 januari en bepaalde bovendien voor het geval de kerkfabriek niet gemachtigd zou worden het legaat te ontvangen dit zou overgaan naar de C.O.O van Brugge. In dezelfde herbevestiging stelde hij duidelijk dat hij de legale erfgenamen onterfde.

Het is ook niet toevallig dat de armen van de Sint-Annapaarochie de begunstigden waren, als we bedenken dat de Brouwerij Aigle Belgica in het Sint-Annakwartier lag. Het is niet ondenkbaar dat zoon Leon, in onmin levend met zijn vader, een signaal heeft willen geven door niet zijn broers en zus te bedenken in zijn testament maar wel de armen van de parochie. Inderdaad zijn door de uitbreidingen van de brouwerij vele armenhuisjes gesloopt o.a. rond 1923 de godshuisjes in de Elizabeth Zorghestraat. De mogelijkheden van de kerkfabriek van Sint-Anna om aan de voorwaarden van de legaat te voldoen waren beperkt, waardoor ook de stad Brugge en de C.O.O in de successie betrokken werden.
De C.O.O. en de Kerkfabriek kwamen tot een minnelijke schikking, waarbij de C.O.O. de naakte som van 638.000 Bfr. zou bekomen met de eraan verbonden lasten.

In de Gasthuisstraat (nu Prof. Dr.J.Sebrechtsstraat) bevond zich het gasthuis voor bejaarde vrouwen, het 'Sint-Antoniusinstituut' waar de zusters van Liefde de zorg voor de bejaarde en zieke vrouwen op zich namen. Dit gasthuis werd in 1892 door arch. Delacenserie gebouwd. In 1933 verlieten de zusters van Liefde het gasthuis en de bejaarden werden in verschillende andere inrichtingen geplaatst. In 1935 besliste de C.O.O. dat het gasthuis als een ziekenhuis voor chirurgie zou worden ingericht. Een verbindingsweg tussen het Sint-Janshospitaal en de nieuw ingerichte Minnewaterkliniek moest zorgen voor een snelle en veilige verbinding.

Er werd gekozen voor een viaduct die over het Wevershof liep, om dit te realiseren moesten enkele huisjes van het Wevershof en ook in Zonnekemeers  nr. 5 en 7 gesloopt worden. Het poortgebouw van de viaduct kwam boven het Zonnekemeers (zie foto), naar het ontwerp van arch. Luc Viérin.

In mei 1938 gaf de stad aan de C.O.O een vergunning voor het herbouwen van de huizen Zonnekemeers nr.5 en nr. 7 ( zie foto)

Een andere foto laat ons zien dat de helft van de gevel van het huis nr. 11 werd toegevoegd aan het toenmalig nummer 13 (nu nummer 11)

Op de gevels van het poortgebouw van de viaduct werden twee bas-reliëfs aangebracht van de hand van de Brugse beeldhouwer Michiel Poppe. Op de oostgevel  het beeld van Johannes de Doper  met het Lam en op de westgevel het beeld van Johannes de Evangelist met het Evangelieboek. Deze beelden dateren van 1925.

Bij de verhuis van het Sint-janshospitaal in 1976 naar de nieuwe gebouwen in Sint-Pieters werd de verbindingsweg overbodig. In 1990 werd de beslissing genomen om het Wevershof te saneren en er werd ook beslist dat het ganse binnengebied van het Wevershof werd overgedragen aan de stad in het kader van een ruiloperatie tussen OCMW en de stad. Op 21 oktober 1992 gaf het Vlaams Gewest een vergunning aan de stad voor heraanleg van de binnengronden achter het Wevershof en voor het afbreken van de hellingen van het viaduct. Twee jaar later gaf de stad een gunstig advies tot het saneren van de huisjes 1 t/m 22  van het Wevershof en de huisjes nr. 7, 9 en 11 van Zonnekemeers. Na de renovatie zijn er nu 11 huisjes rond het Wevershof en 3 huisjes in Zonnekemeers (7, 9 en 11).

Ik sluit dit hoofdstuk af met de verwijzing naar de klaprozen in de muurplaat van de toegang naar het Wevershof. Klaprozen die het symbool zijn voor het streven naar vrede, liefdadigheid en zorg voor minderbedeelden.

De geraadpleegde literatuur en de foto's komen van de vzw erfgoedforum Brugge.

Laat mij toe te eindigen met een woord van dank aan E.H. Denaux voor de inzegening van dit Mariabeeld,

In naam van Brugge-Mariastad nodig ik jullie dan ook graag uit tot een gezellige babbel bij een Brugse Zot of een Straffe hendrik in de brouwerij 'De Halve Maan'

Ik dank u

Willy De Four                                                                            Secretaris Brugge-Mariastad vzw